Nederlands didactiek kleuter (B-VIVZ-V3H157)

6.0 studiepunten Nederlands Beide semestersBeide semesters
Verkinderen Sabien (coördinator) |  Verkinderen Sabien
VIVES Z POC PBA Onderwijs: Kleuteronderwijs

BASISCOMPETENTIE 1: DE LERAAR ALS BEGELEIDER VAN LEER- EN ONTWIKKELINGSPROCESSEN
1.1 De lkr kan de beginsituatie van de kleuters en de groep achterhalen:
- De student besluit in welke fase van de taalontwikkeling een kleuter zich bevindt.
- De student beschrijft hoe de taalontwikkeling van een doorsnee kind verloopt.
1.2 De leerkracht kan doelstellingen kiezen en formuleren:
- De student kiest ontwikkelingsaspecten rekening houdend met de beginsituatie van de klasgroep.
- De student formuleert concreet operationele activiteitendoelen, rekening houdend met de beginsituatie van de klasgroep.
- De student kiest leerplandoelen uit het leerplan Luisteren en Spreken, passend bij de ontwikkelingsaspecten, activiteitendoelen.
1.3-1.4 De leerkracht kan de leer- en ontwikkelingskansen selecteren, structureren en vertalen in een samenhangend onderwijsaanbod
- De student beargumenteert zijn didactische aanpak van kinderliteratuur (proza & poëzie) in de kleuterklas, rekening houdend met beginsituatie, doelstellingen en literaire eigenschappen.
- De student vergelijkt de visies op ontluikende geletterdheid met een aantal taalmethodes.
- De student geeft aan welke visies er zijn op taalonderwijs, verduidelijkt en vergelijkt ze.
- De student beschrijft hoe kinderen in de ontwikkeling van ontluikende geletterdheid gestimuleerd kunnen worden.
- De student vergelijkt verschillende visies op ontluikende geletterdheid.
-De student geeft aan welke aandachtspunten er zijn in het begeleiden van anderstalige kinderen.
-De student houdt bij het uitwerken van activiteiten rond voorbereidend lezen en schrijven rekening met de beginsituatie, doelstellingen en didactische tips uit de cursus.
1.5 De leerkracht kan aangepaste werkvormen en groeperingsvormen bepalen
- De student toont aan welke verteltechniek, aanpak van verhalen, groeperingsvorm geschikt is voor de doelgroep jongste kleuters.
1.6 De leerkracht kan individueel en in team ontwikkelingsmateriaal kiezen en aanwenden.
- De student ontwikkelt een verteltas geschikt voor een bepaalde doelgroep.
- De student kiest geschikte verhalen en gedichten voor de doelgroep jongste kleuters.
- De student analyseert een taalmethode en vergelijkt die met andere methodes.

- De student beschrijft een methode voor voorbereidend lezen en schrijven en brengt die in verband met de theorie uit de cursus.
-De student beschrijft de methodes die er zijn voor aanvankelijk lezen en schrijven.
1.7 De leerkracht kan een leerbevorderende omgeving creëren met aandacht voor de heterogeniteit van de groep.
- De student reageert op foute uitingen door te expanderen, te modelleren of te corrigeren.
- De student geeft aan wat een aantrekkelijk boekenaanbod is voor een bepaalde doelgroep.
- De student verduidelijkt op welke manieren je kleuters vertrouwd kan maken met drama en theater.
- De student geeft in zijn eigen woorden weer op welke manieren je rond drama kan werken in de kleuterklas.
- De student geeft aan wat een aantrekkelijke lees- en schrijfhoek is voor de derde kleuterklas.
- de student wendt passende interventies aan voor kinderen met een zorgvraag.
1.11 De leerkracht kan het leer- en ontwikkelingsproces adequaat begeleiden in Standaardnederlands en daarbij rekening houden met
en gericht inspelen op de diverse persoonlijke en maatschappelijke taalachtergronden van de leerlingen.
- De student hanteert correct Nederlands in alle opdrachten.
- De student schrijft verzorgd en communicatief efficiënt Standaardnederlands in lectuurverslagen.
- de student schrijft verzorgd en communicatief efficiënt Standaardnederlands in een theaterverslag.


BASISCOMPETENTIE 2: DE LERAAR ALS OPVOEDER
2.1. De leerkracht kan in overleg een positief leerklimaat creëren voor de kleuters in de groep en in de school
- De student toont aan hoe je op een gepaste, competente, positieve manier omgaat met kinderen met een zorgvraag
- de student toont aan hoe je op een gepaste, positieve manier omgaat met culturele diversiteit in de klas.
- De student vergelijkt verschillende onderwijsvisies met betrekking tot taal en opvoeding.
- De student formuleert een eigen onderwijsvisie met betrekking tot taal en opvoeding.
2.7 De lkr kan communiceren met kleuters met diverse taalachtergronden in diverse talige situaties
- De student toont aan hoe je op een gepaste, positieve manier omgaat met talige diversiteit in de klas.

BASISCOMPETENTIE 3: DE LERAAR ALS INHOUDELIJK EXPERT
3.1 De leerkracht beheerst de basiskennis van de leerinhouden (ontwikkelingsdoelen) en hij kan recente ontwikkelingen over inhouden
en vaardigheden uit de verschillende leergebieden volgen:
- De student beheerst de basiskennis i.v.m. kinderliteratuur en volgt recente ontwikkelingen op dit vlak.
- de student schrijft verschillende tekstsoorten en verzorgt hierbij spelling, tekstopbouw en lay-out

BASISCOMPETENTIE 6: DE LERAAR ALS PARTNER VAN OUDERS
6.6 De leerkracht kan strategieën inzetten om te communiceren met anderstalige ouders.
-De student beheerst achtergrondinfo over mogelijkheden die de communicatie met anderstalige ouders kunnen vergemakkelijken.

BASISCOMPETENTIE 10: DE LERAAR ALS CULTUURPARTICIPANT
10.1 De leerkracht kan actuele maatschappelijke thema’s en ontwikkelingen onderscheiden en kritisch benaderen op volgende
domeinen (soc-pol.; soc-eco.; levensbesch.;cult-esth.; cult-wetensch.)
- De student analyseert en beoordeelt kinderboeken op literair vlak
- De student analyseert theaterstukken voor kinderen in een goed gestructureerd theaterverslag.
- De student formuleert voorstellen voor theaterinitiatie.
- De student geeft in eigen woorden weer welke vroegere en huidige tendensen er zijn op het vlak van kinderliteratuur.

eindtermen TSO/BSO/KSO/ASO

Onderwijsleeractiviteiten

6.0 sp. Nederlands didactiek kleuter (B-VIVZ-V5H157)

6.0 studiepuntenNederlandsWerkvorm: OpdrachtBeide semestersBeide semesters
Verkinderen Sabien
VIVES Z POC PBA Onderwijs: Kleuteronderwijs

Via een uitgebreide cursus wordt geprobeerd om inzicht te geven in vakdidactiek Nederlands.

Enkele onderwerpen die in de cursus aan bod komen: een visie op taal en taalonderwijs, taalvoorbereiding bij een thema, werken met kinderboeken in de klas, kleuterpoëzie, drama, poppenspel, taalspelletjes, gesprekstechnieken, kringgesprekken en filosofische gesprekken, taalverwerving en taalstimulering, taalproblemen, ontluikende geletterdheid, enz.


1. Verkinderen, S. (2013). Onuitgegeven cursus Nederlands vakdidactiek. Tielt: VIVES.
2. bijlagen bij de cursus vakdidactiek (artikels op Toledo)
3. VVKBaO (2003). Leerplan Nederlands Krachtlijnen en alle deelleerplannen Nederlands + de leerplannen Muzisch Taalgebruik en Dramatisch Spel
4. VVKBaO (2000). Ontwikkelingsplan voor de katholieke kleuterschool.
5. Paus, H., Rijmenans, R., Van Gorp, K. (2003). Dertien doelen in een dozijn. Een referentiekader voor taalcompetenties van leraren in Nederland en Vlaanderen. Den Haag: Nederlandse Taalunie.
6. Toledo

Begeleide zelfstudie. Zie studiewijzer.

Evaluatieactiviteiten

Nederlands didactiek kleuter (B-VIVZ-V71722)

Type : Partiële of permanente evaluatie met examen tijdens de examenperiode


De cursus wordt verwerkt op twee manieren, via een openboekexamen en via individuele opdrachten.

a) Schriftelijk examen

Het examen is een openboekexamen. Er wordt een voorbeeldexamen voorzien op Toledo.

b) didactische oefeningen

Naast het openboekexamen, zijn er nog 5 individuele opdrachten:

1. maken van een lesvoorbereiding vertellend voorlezen van een verhaal
De student kiest een geschikt verhaal voor een bepaalde doelgroep en geeft aan hoe een verhaal via de verteltechniek vertellend voorlezen kan aangebracht worden in de kleuterklas. Deze opdracht leert de student een lesvoorbereiding op te stellen. De student kiest ontwikkelingsaspecten, concrete doelen en leerplandoelen, rekening houdend met de beginsituatie van de klasgroep. De student hanteert correct Nederlands in lesvoorbereidingen.

2. boekverslagen schrijven
Via deze opdracht komt de student in contact met hedendaagse prentenboeken. Door een grondige analyse van de vorm, de taal en de inhoud van verhalen leert de student verhalen beoordelen en kiezen. De student hanteert correct Nederlands bij het schrijven van een boekverslag.

3. taalmethodes
De bedoeling van deze opdracht is dat de student kennismaakt met een aantal hedendaagse taalmethodes. De student bekijkt een aantal taalmethodes grondig in een vakdidactische bibliotheek. Op basis hiervan kijkt de student welke methodes het meest geschikt zijn voor een bepaalde casus en beargumenteert deze keuze grondig. De student beschrijft ook een methode voor voorbereidend lezen en/of schrijven en brengt die in verband met de theorie uit de cursus.

4. theaterverslag schrijven
De student maakt kennis met kindertheater. De student analyseert en bespreekt een theaterstuk in een goed gestructureerd theaterverslag. De student geeft aan hoe je rond een specifiek theaterstuk kunt werken in de kleuterklas en hoe je kleuters vertrouwd kan maken met drama en theater.

5. verteltas
De student toont aan dat hij een verteltas kan samenstellen, geschikt voor een bepaalde doelgroep. De student werkt op een creatieve manier een verhaal uit. De student gaat bij het zoeken naar spelmateriaal uit van de eigenheid van elk verhaal. De student gaat op zoek naar goede informatieve boeken. De student kan een instrument voor taalstimulering & ouderbetrokkenheid ontwikkelen.

Zie studiewijzer.

Een student krijgt een niet-tolereerbaar onvoldoende wanneer niet alle onderdelen van de evaluatie worden afgelegd.

Zie herexamenafspraken.